Skip to main content
Jaarrapportage 2016

DUCA

Download rapportage

Aantal verwijderde lymfeklieren bij slokdarm- en maagresecties

Een adequate lymfklierdissectie is belangrijk voor optimale stadiëring van slokdarm- en maagkanker. Daarnaast zou een uitgebreide klierdissectie de kans op loco-regionaal recidief verkleinen en de overleving verbeteren.1-3

Eén van de indicatoren in de DUCA is het aantal verwijderde lymfeklieren en deze wordt gedefinieerd als ‘het percentage patiënten waarbij ≥15 lymfeklieren is aangetoond in het resectie preparaat’. Deze externe indicator kan een maat zijn voor de kwaliteit van de chirurgie. De uitkomst van deze indicator kan beïnvloed worden door de uitgebreidheid van de chirurgische lymfeklierdissectie, maar ook door de nauwkeurigheid van de beoordeling door de patholoog en andere factoren.

Trends in de kwaliteit van de lymfeklierdissectie in Nederland

De data van de DUCA tonen aan dat tussen 2011 en 2016 bij in opzet curatieve operaties van zowel slokdarm- als maagkanker het aantal verwijderde lymfeklieren sterk is toegenomen. Bovendien is de variatie tussen de ziekenhuizen verminderd. Van 2011 tot 2016 steeg het percentage ≥15 lymfeklieren van 50% naar 80% bij slokdarmresecties en van 50% naar 84% bij maagresecties (Figuur 1).

Conclusie

Voor het toenemende percentage patiënten waarbij ≥15 lymfeklieren is aangetoond in het resectiepreparaat zijn verschillende verklaringen mogelijk. Een mogelijkheid is dat er sprake kan zijn van een toegenomen kwaliteit van chirurgie door centralisatie van slokdarm- en maagchirurgie. Een andere mogelijkheid is een toename van de kwaliteit van het pathologisch onderzoek door een toegenomen bewustzijn bij pathologen voor dit kwaliteitsaspect door deze indicator. In het volgende hoofdstuk wordt nader ingegaan op verschillende factoren die een hogere lymfeklieropbrengst bij slokdarmresecties kunnen verklaren.

Lymfeklieren in het resectiepreparaat bij slokdarmresecties

In dit hoofdstuk is gekeken naar welke patiënt-, tumor- en behandelingsfactoren geassocieerd zijn met het aantonen van ≥15 lymfeklieren in het resectiepreparaat. Hiervoor zijn verschillende factoren getest in een univariabele en multivariabele regressieanalyse.

Voorspellende factoren voor het behalen van ≥15 lymfeklieren

Tussen 2011 en 2016 werd bij 3.061 patiënten een in opzet curatieve slokdarmresectie verricht wegens een slokdarmcarcinoom. Bij 70% van de patiënten werden ≥15 lymfeklieren aangetoond. De volgende factoren hadden onafhankelijk invloed op het behalen van ≥15 lymfeklieren: preoperatief gewichtsverlies, N-status van de tumor, neo-adjuvante therapie, het type procedure, het optreden van wel of geen peroperatieve complicatie(s), het volume van het ziekenhuis en het jaar waarin de operatie heeft plaatsgevonden (figuur 2).

Invloed van ziekenhuisvolume

Het ziekenhuisvolume is berekend aan de hand van het gemiddelde aantal slokdarmresecties per jaar tussen 2014-2016. Voor deze analyse zijn de patiënten ingedeeld in groepen op basis van dit ziekenhuisvolume. Bij patiënten in de groepen ’26-50 slokdarmresecties per jaar’ en ‘meer dan 50 slokdarmresecties per jaar’ is naar verhouding vaker ≥15 lymfeklieren aangetoond dan in de groep ‘<25 slokdarmresecties per jaar’.

Conclusie

Er zijn verschillende patiënt-, tumor- en behandelingsfactoren die de lymfeklieropbrengst in het resectiepreparaat beïnvloeden, waaronder het volume van het ziekenhuis.

Tijdsinterval tussen neoadjuvante chemoradiotherapie en operatie

Patiënten met een slokdarmcarcinoom (met uitzondering van T1N0 tumoren) krijgen vaak neoadjuvante chemoradiotherapie (nCRT). Er is wereldwijd geen consensus over het optimale moment van de slokdarmresectie na nCRT. Bij andere vormen van kanker zijn er aanwijzingen dat langer wachten tot operatie na nCRT leidt tot een hoger percentage pathologische complete respons (pCR). Bij een langer interval heeft de patiënt enerzijds meer tijd om te herstellen van de bijwerkingen van de nCRT. Anderzijds vermoedt men dat een lang interval de kans op fibrose/ littekenweefsel vergroot en de operatie gepaard kan gaan met meer complicaties. 

Het interval nCRT en chirurgie in de DUCA

Uit de DUCA (2011-2016) blijkt dat de mediane duur tussen het eind van de nCRT en de operatie 8 weken is (mediane interval van individuele ziekenhuizen varieert tussen 7-11 weken) (figuur 3a). Het aantal weken dat wordt gewacht, neemt in de loop der jaren enigszins toe: van 2011-2013 is de mediane duur 8 weken, vanaf 2014 is dit 9 weken.

Het gemiddelde percentage pCR in de DUCA is 31%. Bij het opdelen in groepen blijkt dat een interval van >12 weken geassocieerd is met het hoogste percentage pCR: ongeveer 40%. In de groep met een interval van 8-9 weken is dit percentage het laagste: 26% (figuur 3b).

Het percentage gecompliceerd beloop voor de groep met een wachttijd >12 weken is niet significant hoger dan bij kortere tijdsintervallen (gemiddeld 29%).

Conclusie

Een wachttijd langer dan 12 weken na nCRT lijkt geassocieerd met een hogere kans op een pathologische complete respons zonder dat dit leidt tot een verhoogde kans op een postoperatief gecompliceerd beloop.